Het
koninkrijk Denemarken ligt in Noordwest-Europa en vormt
een onderdeel van Scandinavië. Denemarken heeft in
het zuiden een korte landgrens met het Duitse Sleeswijk-Holstein
(68 km). Denemarken grenst in het westen aan de Noordzee,
in het noorden aan het Skagerrak en in het oosten aan het
Kattegat, de Sont en de Oostzee. Denemarken is met 43.077
km2 iets groter dan Nederland. Het bestaat uit het schiereiland
Jutland en 474 eilanden waarvan er ongeveer 100 bewoond
zijn. De kuststroken lijken sterk op die van Nederland met
zandstranden, wadden, duinen en dijken. Voor de kust van
West- Jutland liggen veel zandbanken en riffen. Hier liggen
ook lange en brede stranden. De oostkust van Jutland is
een fjordenkust waarvan de inhammen lang en bebost zijn.
Dit in tegenstelling tot de Noorse fjorden die zeer steil
zijn. De goed bevaarbare fjorden dringen vanaf de oostkust
diep het land in. De zeer grillige kust van Denemarken heeft
een kustlijn van 7500 km, bijna evenveel als het 10x grotere
buurland Zweden. Hoewel laag gelegen heeft het Deense landschap
afwisselende golvende vormen. Het hoogste punt is de Ejer
Bavnehøj op de Jutlandse heuvelrug (172 meter). Het
laagste punt is de Lammefjord, -7 meter onder zeeniveau.
Lolland is laag en vlak en moet door dijken tegen stormvloeden
beschermd worden. Het eiland Bornholm behoort geologisch
gezien niet tot Denemarken; de bodem is namelijk van een
geheel andere samenstelling dan de rest van Denemarken.
Verspreid over het hele land liggen vele kleine en grote
zwerfstenen, overblijfselen van verschillende ijstijden.
De langste rivier is de Gadenå, 160 km lang. Om het
eiland Møn en Zuidoost-Sjælland komen steile
krijtrotsen voor die een hoogte van ± 140 meter bereiken.
Klimaat
Denemarken heeft een gematigd zeeklimaat, sterk beïnvloed
door de temperatuur van het Noordzeewater. Het weertype
kan per dag verschillen maar door de geringe oppervlakte
van het land en doordat het vrijwel aan alle zijden door
zee is omgeven, zijn de klimaatverschillen zeer gering.
In de koudste maand, februari, schommelt de gemiddelde temperatuur
rond de 0°C. In strenge winters vriest een gedeelte
van het Kattegat voor korte tijd dicht. In de Sont en in
de Belten komt vaker ijs voor; in de Sont gemiddeld om de
twee jaar. De zomers kenmerken zich door veel zonneschijn.
In juli, de warmste maand, schommelt de temperatuur gemiddeld
tussen de 15 en 16,5°C. De warmste streken zijn Bornholm,
Falster, Lolland en Viborg. De koudste streken zijn Himmerland,
Midtfyn en Nordvestjyland. Gemiddeld valt er op het Deense
land 600 mm neerslag per jaar. Tussen de Noordzeekust en
het heuvelland van Midtjyland valt gemiddeld 700 mm. Minder
dan 600 mm valt op Bornholm, Sjælland en aan de kust
van het Kattegat. Het aantal regendagen ligt tussen de 120
en 200 dagen per jaar. De meeste regen valt van augustus
tot en met oktober. De droogste periode valt tussen eind
april en begin juni. Als de wind 's winters uit het oosten
waait, kan het zeer koud worden, tot -31°C. 's Zomers
kan de temperatuur door diezelfde oostenwind oplopen tot
meer dan 35°C. De wind waait echter vaak uit het westen.
Door de vele depressies stormt het aan de westkust gemiddeld
meer dan 50 keer per jaar.
Planten
en dieren
In een ver verleden was Denemarken een dicht bebost land.
Op dit moment bestaat ongeveer 11% van het landoppervlak
uit bos.
Langs de kust van de Noordzee, het Skagerrak en aan de zuidkant
van het Kattegat vinden we bossen met (aangeplante) dennen
en sparren. Daartussen groeit o.a. helmgras dat duinen beschermt.
Door de ontbossing zijn bijna alle eikenbossen verdwenen.
Berkenbossen komen nog wél voor en de groene beuk
is de nationale boom van Denemarken. In Jutland bevindt
zich het grootste, voornamelijk uit naaldbomen bestaande
Deense woud. Veel voorkomende bomen zijn olmen, hazelaars,
esdoorns, grove dennen, berken, espen, lindes en kastanjes.
In Noord-Jutland komen uitgestrekte heidevelden voor. In
Denemarken komen ongeveer 1500 plantensoorten voor, ongeveer
vergelijkbaar met Nederland.
In het noorden en noordwesten van Jutland ontstonden als
gevolg van de slechte afwatering uitgestrekte hoogveenmoerassen.
Aan de kust komt de bijzondere roze-witte strandroos voor.
De nationale bloem is de margriet.
De wildstand in Denemarken is in de 20e eeuw sterk teruggelopen.
Eland, oeros en zelfs wilde zwijnen komen niet meer voor.
Voornamelijk in wildparken leven reeën, edelherten
en de ingevoerde damherten en sikaherten. In de heide- en
duingebieden leven vele hazen, konijnen, patrijzen en fazanten.
Kleine rovers als de marter, das, otter en vos komen nog
steeds voor maar hun aantal verminderd elk jaar. Met name
de otter wordt sterk bedreigd. Van de zeeroofdieren komt
naast de gewone zeehond de grijze zeehond voor. In de kustwateren
zijn regelmatig bruinvissen en tuimelaars te zien. Van de
vleermuizen zijn er alleen gladneuzen.
In de rivieren en beken kan gevist worden naar o.a. forel,
sneep, baars en snoek. Zeevissers vangen veel kabeljauw,
geep, zeeforel, koolvis, griet en haring.
Er komen ongeveer 350 soorten vogels voor in Denemarken.
De helft daarvan broedt in Denemarken zelf; de rest zoekt
warmere streken op. Veel voorkomende vogels zijn, behalve
de vele soorten kustvogels en steltlopers, de raaf, zeearend,
patrijs, fazant en eend. Het aantal ooievaars is in de loop
der jaren sterk afgenomen. De nationale vogel is de zwaan.
Er zijn 68 soorten inheemse vlinders te zien in Denemarken.
En verder komen er 11 soorten kikkers en padden voor. Door
het verdrogen van veel natte gebieden is de helft van de
broedplaatsen van deze dieren verdwenen.
Verkeer
Verkeers- en brugverbindingen spelen een belangrijke rol
in het Deense verkeer. Tussen 1966 en 1986 werden 20 grote
bruggen gebouwd. De grootste brug is die over de Storstrøm
tussen Falster en Seeland (3211 m), en is daarmee een van
de langste van Europa. In 1997 werd een 20 km lange brug-tunnelverbinding
geopend voor het trein- en autoverkeer tussen de eilanden
Funen en Seeland. Er zijn veerbootverbindingen met Zweden,
Noorwegen, Duitsland en Groot- Brittannië.
De handelsvloot is een van de modernste ter wereld. De belangrijkste
havens zijn Kopenhagen, Århus, Aalborg, Esbjerg en
Frederikshavn.
De spoorwegen zijn in hoofdzaak een staatsaangelegenheid
(2471 km), hoewel met name voor het vrachtvervoer ook particuliere
lijnen (494 km) zijn. Het wegverkeer beschikt over een zeer
dicht wegennet van ruim 70.000 km. Een klein gedeelte hiervan
(ca. 7%) bestaat uit snelwegen.
Het internationale luchtverkeer maakt gebruik van de luchthaven
Kastrup, bij Kopenhagen. Daarnaast zijn er nog twaalf commerciële
vliegvelden. Det Danske Luftfarsselskab is een van de drie
sinds 1 oktober 1950 in SAS (Skandinavian Airlines System)
samenwerkende Scandinavische luchtvaartmaatschappijen.
Geschiedenis
Er zijn aanwijzingen dat de eerste mensen al 12.000 jaar
geleden rondgezworven hebben op Deens grondgebied. Ze leefde
voornamelijk van de jacht op rendieren. Nadat het klimaat
wat warmer werd trokken de rendieren verder naar het noorden.
De jagers op hun beurt trokken richting kust en leefden
van de visvangst. Rond 4000 voor Chr. verbouwden de Denen
hun eigen voedsel en hielden wat vee. Van rond 2000 voor
Chr. dateren de dolmens, grafkamers bestaande uit grote
keien die met een platte steen werden afgedekt. De gletsjers
van de ijstijd hadden die grote zwerfkeien achtergelaten.
Denemarken is bezaaid met grafheuvels, grote stenen, ganggraven
en hunebedden. De graven waren soms meer dan 100 meter lang.
Brons werd rond 1800 voor Chr. geïntroduceerd
in Denemarken en het volk toonde zich al snel meesters in
het maken van gebruiks- en kunstvoorwerpen. Om aan het kostbare
brons te komen waren er rond die tijd al contacten met volkeren
in het zuiden van Europa. Belangrijke archeologische vondsten
uit deze vroegste tijden zijn de schaal van Gundestrup,
de zonnnewagen van Trundholm en het veenlijk de Man van
Tollund.
Rond het begin van onze jaartelling wordt
voor het eerst in annalen en verslagen van de Romeinen gesproken
over de Noord-Germaanse stammen. Deze Noord- Germaanse stammen
trokken langzaam zuidwaarts richting Midden-Europa. Deze
kleine groepjes werden langzamerhand opgenomen in grotere
stamverbanden waardoor er vorstendommen en koninkrijkjes
ontstonden. Van de eerste vijf à zes eeuwen na Chr.
is weinig bekend. Pas eind 8e eeuw kwamen de Denen de Europese
geschiedenis binnengevaren. Op 8 juni 793 werd het kloostereiland
Lindisfarne in Groot-Brittannië door een vermoedelijk
Deense vloot aangevallen en leeggeroofd. Binnen enkele tientallen
jaren had heel West- Europa te lijden onder de plundertochten
van de Noormannen of Vikingen, zoals ze genoemd werden.
Onduidelijk is nog steeds waar ze precies vandaan kwamen,
Noorwegen, Zweden of Denemarken. Toch zaaiden de Noormannen
niet alleen dood en verderf in Europa. Ze stichtten ook
steden, verhuurden zich als soldaten, dreven handel en maakten
ontdekkingsreizen. Een van de redenen voor deze expansiedrift
was het feit dat het Scandinavië van toen nog een onontgonnen
gebied was met weinig mogelijkheden voor landbouw. Als gevolg
hiervan dreigde overbevolking en veel Noormannen vestigden
zich in b.v. Normandië in Frankrijk of op de Britse
eilanden. Met name in Northumbria in Noordoost- Engeland
zaten veel Denen en zij stichtten daar Danelagh, een vrijwel
zelfstandig Deens rijk. Sven Gaffelbaard stuurde ±
1100 schepen de Noordzee op om Danelagh en uiteindelijk
heel Engeland te veroveren. Na wat schermutselingen lukte
dat en in 1013 liet Sven zich uitroepen tot koning van Engeland.
Noorwegen had op dat moment geen leider en de zoon van Sven,
Knud, liet zich ook daar tot koning kronen, resulterend
in een groot noordelijk rijk onder leiding van de Denen.
Het rijk viel echter al snel uit elkaar, het was door zijn
omvang niet bestuurbaar. De aangestelde onderkoningen raakten
slaags met elkaar. Uiteindelijk leidde dat tot een Engelse
koning in Engeland en een Noorse koning in Denemarken. Geprobeerd
werd nog om Engeland weer te heroveren maar na de verloren
slag bij Hastings in 1066 kwam het vikingtijdperk tot een
einde.
Het Denemarken van die tijd was waarschijnlijk
een praktische volledig agrarische samenleving die zich
niet alleen uitstrekte tot het huidige Deense grondgebied.
Ook delen van Sleeswijk in Noord-Duitsland en Zuid-Zweden
hoorden erbij. De politieke macht lag in Jutland en de economische
macht rond een handelspost in Sleeswijk. De bevolking bestond
uit clans onder leiding van een clanhoofd. Er was nog geen
centraal gezag. Besluiten die clanoverstijgend waren werden
genomen tijdens een "Ting", een bijeenkomst van
"vrije mannen". Eenmaal per jaar werd een "Landsting"
georganiseerd die tevens als rechtbank fungeerde. Elke regio
had een Landsting en de macht van zo'n Landsting reikte
dan ook niet verder dan de eigen regio.
De Denen werden nu bedreigd door Duitse koninkrijkjes en
door de Wenden, een slavisch volk dat aan de Oostzee woonde.
Een binnnenlands probleem was het enorme vrouwenoverschot
door de vele gesneuvelde of geëmigreerde Noormannnen.
Polygamie kwam veel voor en veroorzaakte gecompliceerde
erfopvolgingskwesties. De macht van de koning werd hersteld
onder Valdemar de Grote. Na de dood van Valdemar nam de
bisschop van Roskilde, Absalon, de macht in handen. Hij
verplaatste het politieke centrum van Jutland naar Sjælland
omdat de Oostzee als handelsroute belangrijker werd dan
de Noordzeeroute. Ook werd onder Absalon een vesting langs
die belangrijke route gebouwd, Havn. Dit dorpje zou later
uitgroeien tot de hoofdstad van Denemarken, Kopenhagen.
Vanaf die tijd werd de geschiedenis van Denemarken gedomineerd
door de strijd om de macht rond de Oostzee. Valdemar II
veroverde grote stukken land aan de Kielersee met toestemming
van de Duitse keizer. Ook Estland probeerde hij te veroveren
maar dit mislukte. Hij werd zelfs ontvoerd en drie jaar
vastgehouden. Valdemar II had veel (buitenechtelijke) zonen
wat leidde tot een aantal erfkwesties waarbij zelfs doden
vielen. Sleeswijk was rond die tijd nog steeds de machtigste
regio en de graaf van Sleeswijk de machtigste man na de
koning. In 1282 werd het "Håndfestning"
ondertekend waarbij men overeenkwam één nationaal
parlement in te stellen. Vanwege een lege schatkist werden
grote delen van Denemarken als onderpand afgestaan. Door
onderlinge twisten kwam het van 1332 tot en met 1340 tot
een koningloos tijdperk.
Valdemar IV werd door edelen naar voren
geschoven en op de troon gezet. Deze Valdemar bleek echter
geenszins een zwakke persoon te zijn. Zo veroverde hij Gotland
dat bij het Zweedse koninkrijk hoorde en een belangrijke
Hanzestad was. De Hanze nam dit niet en stuurde een vloot
naar Denemarken, die echter in de buurt van Kopenhagen verslagen
werd. Gedurende deze jaren werd Denemarken getroffen door
een pestepidemie die eenderde van de Deense bevolking het
leven kostte. Valdemar werd een belangrijke persoon uit
de Deense geschiedenis. Hij gaf de eerste aanzet tot de
vereniging van Noorwegen, Zweden en Denemarken. Noorwegen
en Zweden waren op dat moment al verenigd onder koning Magnus.
Zijn zoon Haakon trouwde met Margrethe, dochter van Valdemar.
Na de dood van Valdemar maakte Margrethe aanspraak op de
Deense troon. Omdat vrouwelijke troonopvolgers niet geaccepteerd
werden werd haar vijfjarig zoontje Oluf vorst, onder regentschap
van Margrethe. Oluf stierf op 17-jarige leeftijd en men
accepteerde Margrethe als vorst over Noorwegen en Denemarken.
In 1389 werd de Zweedse koning door haar verslagen in de
slag bij Falkøbing. Het duurde tot 1397 voordat de
vereniging van de drie koninkrijken een feit zou zijn (Unie
van Kalmar). Margrethe werd opgevolgd door haar Slavische
achterneef Erik von Pommeren. De adel zag dit op den duur
niet zo zitten en men ging op zoek naar een opvolger uit
de Duitse tak van de familie. Gekozen werd voor Christian
I wat weer leidde tot een verbond met het machtige Holstein.
Dit leverde een merkwaardige situatie op. Als graaf van
Sleeswijk was hij trouw schuldig aan de koning van Denemarken,
wat hij zélf was, en als graaf van Holstein moest
hij de Duitse keizer steunen. Zweden trad na zijn dood weer
toe tot de Unie. Opvolger Hans leed in 1500 een zware nederlaag
tegen de Friezen. De Zweden verlieten o.a. door deze nederlaag
in 1502 de Unie weer. Hij werd opgevolgd door zijn zoon
Christian II, de onderkoning van Noorwegen. Hij leidde in
1520 een strafexpeditie tegen Zweden en veroverde in eerste
instantie Stockholm. Zweedse boeren onder leiding van Gustav
Vasa namen wraak en uiteindelijk werd Christian verbannen
naar de Zuidelijke Nederlanden. Het was in deze tijd dat
de denkbeelden van Luther doordrongen tot Denemarken. Het
sprak de Denen zeer aan en het was Christian III die in
1536 de evangelisch- lutherse leer als staatsgodsdienst
installeerde.
Zijn opvolger Frederik II kwam in conflict met de Zweedse
vorst. Dit zou uitlopen tot de zevenjarige oorlog (1563-1570)
die echter geen oplossing bracht voor het conflict. De Zweden
waren op het land te sterk, de Denen te sterk op zee. Doordat
Spanje, Duitsland, Engeland en Frankrijk voortdurend in
oorlogen verwikkeld waren, kon Denemarken zich ontwikkelen
als een wereldmacht op zee. Onder Christan IV bleek de zwakte
van Denemarken op het land. Veel veldtochten gingen verloren
en toen hij in 1648 stierf, liet hij een ontredderd en geplunderd
Denemarken achter voor zijn opvolger, Frederik III. Ook
Frederik leed weer een gevoelige nederlaag tegen de Zweden
en Denemarken verloor bij de Vrede van Roskilde in 1658
bijna eenderde van zijn grondgebied en de alleenheerschappij
over de lucratieve Øresund (tolgelden). Karl X van
Zweden probeerde meteen heel Denemarken onder de voet te
lopen, maar de Denen werden nu geholpen door de Hollanders,
die er veel belang bij hadden dat de Øresund niet
door één mogendheid beheerst zou worden. Het
lukte de Denen en de Hollanders om de Zweden weg te jagen
en Frederik zag zich genoodzaakt de tolgelden fors te verlagen
en de Zweden vrije doortocht te verlenen. Vreemd genoeg
kreeg de adel de schuld van al deze vernederingen en Frederik
zag zijn kans schoon om zichzelf uit te roepen als alleenheerser
over Denemarken en Noorwegen. Eind 17e eeuw, begin 18e eeuw
probeerden Christan V en Frederik IV de heerschappij over
de Øresund weer te heroveren. Grote nederlagen volgden
en met het einde van de Grote Noordse Oorlog in 1721 werd
duidelijk dat Denemarken nooit meer over de Øresund
zou heersen.
De 18e eeuw was verder een eeuw met veel
zwakke koningen en een toenemende kloof tussen de adel en
de burgerij, die steeds machtiger werd. De rest van Europa
had vanaf 1789 te maken met de gevolgen van de Franse Revolutie.
In Denemarken bleef het wat dat betreft in eerste instantie
rustig en Denemarken kon zich weer profileren als belangrijke
koopvaartnatie. Door de gevaarlijke situatie op zee moesten
de Denen toch allianties aangaan met o.a. Rusland en wat
andere landen, en werden zo toch betrokken bij de gevechtshandelingen.
Denemarken werd op eigen grondgebied aangevallen door een
Engelse vloot. De Russen liepen hierna over naar de Engelse
kant en ook de Zweden konden geen hulp bieden. Hierdoor
werden de Denen gedwongen te gaan samenwerken met de Franse
keizer Napoleon. De Engelsen waren hier uiteraard fel op
tegen en stuurden weer een vloot naar Denemarken en deze
keer werd Kopenhagen grotendeels verwoest. Bijna 2000 soldaten
en burgers vonden de dood en ook de Deens- Noorse vloot
werd bijna gedecimeerd. De Denen waren nu wel gedwongen
om een verbond met Napoleon aan te gaan maar streden een
uitzichtloze strijd en verloren uiteindelijk al hun schepen!
In Kiel werd in 1814 een vredesverdrag gesloten, waarbij
Denemarken, als straf voor de steun aan Frankrijk, de unie
met Noorwegen moest ontbinden. De Faeröer, IJsland
en Groenland werden aan Denemarken toegewezen. Christian
VIII erfde in 1839 een volledig failliet Denemarken.
In het Europese revolutiejaar 1848 werd
onder Frederik VII de absolute monarchie afgeschaft. In
1849 kreeg Denemarken een moderne grondwet, een nationaal
parlement met twee kamers en beperkt kiesrecht. Halverwege
de 19e eeuw raakte Denemarken in oorlog met Duitsland dat
aanspraken maakte op Sleeswijk. De Eerste Sleeswijkse Oorlog
(1848-1850) werd gewonnen door Denemarken. Overeengekomen
werd dat Sleeswijk en Holstein voortaan als onafhankelijke
territoria beschouwd zouden worden. In 1863 besloot de Deense
regering zonder medeweten van de koning, Sleeswijk's autonomie
te ontnemen. De Tweede Sleeswijkse oorlog was een feit en
werd ook door de Denen verloren. Denemarken werd gedwongen
aftstand te doen van Sleeswijk. Dit verlies had grote consequenties
voor Jutland dat veel goede landbouwgrond kwijtraakte. Het
werd genoodzaakt grote stukken onvruchtbare heide te cultiveren,
het onderwijs te verbeteren, er werd een nieuwe havenstad,
Esbjerg, gebouwd. Kortom, Jutland zou binnen enkele tientallen
jaren tot een economisch sterke regio uitgroeien.
Pas na de Eerste Wereldoorlog werd het al
500 jaar durende probleem opgelost. Een volksstemming had
als resultaat dat het overwegend Deenstalige noorden van
Sleeswijk zich aansloot bij Denemarken, en de meer Duitstaligen
in het zuiden wilden bij Duitsland blijven. Tijdens de Eerste
Wereldoorlog had alleen de koopvaardijvloot te lijden onder
de gevechtshandelingen. Ongeveer honderd schepen gingen
verloren. Aan de andere kant werd er aan de handel in deze
tijd veel geld verdiend.
Op 9 april 1940 vielen de Duitsers Denemarken binnen en
werd het land zonder noemenswaardige tegenstand bezet. Op
Bornholm na, ontsnapte Denemarken aan het oorlogsgeweld.
Op vijf mei 1945 werd Denemarken bevrijd.
Indirecte gevolgen had de oorlog wel voor Denemarken. Zo
maakte IJsland zich in 1944 los van Denemarken en riep eenzijdig
de onafhankelijkheid uit. In 1948 kregen de Færoer
een vorm van binnenlands bestuur. Begin jaren '50 werd de
volksvertegenwoordiging zodanig gereorganiseerd dat er in
1953 nog maar één kamer overbleef, de "Landsting".
De economische wederopbouw na de oorlog werd een successtory.
Ook het onderwijs, de wetenschap en welvaart in het algemeen
kwamen op een hoog peil te staan. In 1973 werd Denemarken
lid van de Europese Unie. In 1985 trok Groenland zich terug
uit de EG. In november 2001 werden de parlementsverkiezingen
gewonnen door het rechtse oppositieblok van liberalen en
conservatieven. Voor het eerst sinds 1929 was er in Denemarken
een rechtse meerderheid.
Bevolking
Het koninkrijk Denemarken telde in juli 2000 5.336.394 inwoners.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt ongeveer 123
per km2. In delen van Oost-Jutland en op de grote eilanden
is de bevolkingsdichtheid groter. De minst dicht bevolkte
districten zijn Viborg en Rinkøbing met maar 50 inwoners
per km2. Ongeveer 88% van de bevolking woont in steden.
De grootste steden zijn Kopenhagen met 1,4 miljoen inwoners,
Århus (265.000), Odense (173.000) en Aalborg (155.000).
In 2000 bedroeg de groei van de bevolking 0,31%. De bevolkingsopbouw
is typisch voor een welvarend land als Denemarken. Het aantal
inwoners tussen de 0 en 14 jaar bedraagt 18%, tussen 15
en 64 jaar 67%, en boven de 65 jaar 15% (Nederland respectievelijk
18%, 68% en 14%). De gemiddelde levensverwachting is 76,54
jaar. Het aantal autochtone inwoners van Denemarken bedraagt
97%. Van de allochtonen is de groep Duitsers en Scandinaviërs
het grootst. Na de immigratiegolf van de jaren zestig bleven
veel Joegoslaven, Pakistani en Turken in Denemarken wonen.
Op Zuid-Jutland woont een kleine minderheid Duitssprekende
Denen.
Denemarken behoort tot de tien rijkste en economisch hoogst
ontwikkelde landen van de wereld.
Taal
In het Deense koninkrijk worden drie talen gesproken, het
Groenlands, het Deens en het Faerörsk. De laatste twee
behoren tot de Germaanse tak van de Indo- Europese talen.
Hoewel ze gemeenschappelijke wortels hebben is er van verwantschap
slecht in beperkte mate sprake. De handel met kooplieden
van de Hanze heeft het Deens ontvankelijk gemaakt voor Duitse
invloeden. Denen, Noren en Zweden kunnen elkaars talen goed
lezen en ook vrij goed verstaan. Onderling spreken ze een
soort lingua franca (hulptaal) dat Skandinavisk genoemd
wordt. Veel Denen spreken ook nog Duits, Engels of beide.
De letters æ, ø, en å komen helemaal
achter in het alfabet, na de z. Het moeilijke van het Deens
is dat het anders uitgesproken dan geschreven wordt. Het
uitgesproken Deens heeft klanken en uitspraak die nergens
anders voorkomen. Duits wordt voor een deel in Zuid-Jutland
gesproken.
|