De
Dominicaanse Republiek is een republiek in het Caribisch
gebied, en ligt op het oostelijk deel van het eiland Hispaniola
(Spaans voor ‘Klein Spanje’). De westkant van
Hispaniola wordt in beslag genomen door Haïti.
Met ca. 48.500 km2 beslaat de Dominicaanse Republiek ongeveer
tweederde van het eiland Hispaniola, en is daarmee ongeveer
een vijfde groter dan Nederland. Hispaniola is in totaal
77.000 km2 groot, en daarmee na Cuba het grootste eiland
van het Caribisch gebied.
In het noorden grenst het eiland aan de Atlantische Oceaan,
in het zuiden aan de Caribische Zee. Tussen het oostelijke
puntje van de Dominicaanse republiek en Puerto Rico ligt
de Mona Passage.
De grens tussen de Dominicaanse Republiek en Haïti
is 360 km lang, de totale lengte van de kust bedraagt ca.
1500 km. De langste afstand van noord naar zuid bedraagt
240 km, van oost naar west 320 km.
Klimaat
De Dominicaanse republiek heeft een tropisch klimaat, dat
alleen aan de noordkust getemperd wordt door passaatwinden.
Als gevolg van de noordoostpassaat valt de meeste regen
in het oosten en het centrale bergland, en dan vooral in
de maanden mei, augustus, september en oktober. De droogste
en ‘koudste’ maanden zijn januari en februari.
In het oosten valt jaarlijks gemiddeld ca. 1350 mm, in het
westen is het veel droger met minder dan 500 mm per jaar.
Als er regen valt, gebeurt dat meestal in de vorm van korte,
hevige buien aan het begin van de avond. Het gebied van
Los Haitises in het noordoosten is zeer vochtig. Er valt
gemidddeld ca. 2000 mm per jaar.
De gemiddelde temperatuur voor de gehele Dominicaanse Republiek
ligt rond de 25°C. Toch komen er grote verschillen voor,
met name in de bergachtige gebieden. Zo bedraagt de temperatuur
bij Constanza in de Cordillera Central gemiddeld ongeveer
16°C. Overdag loopt het kwik overal gemakkelijk op tot
boven de 30°C; in het diepe zuidwesten heerst zelfs
een woestijnklimaat. In het algemeen kan men stellen dat
de temperaturen in de diverse seizoenen niet ver uiteen
lopen, er is meer verschil tussen de dag- en nachttemperatuur
en tussen laagland en hoogland.
De watertemperatuur
in de Dominicaanse wateren varieert van 26 tot 30°C.
Een ander kenmerk van het klimaat is de hoge luchtvochtigheid,
meestal rond 70% en als de zon opgaat oplopend tot wel 90%.
De Dominicaanse Republiek is een echte zonbestemming met
gemiddeld 255 zonnige dagen per jaar.
De Enriquillo-slenk is met temperaturen tot 40°C het
warmste gebied van het land. Het koudste is het in de bergen,
daar kan de temperatuur in januari tot beneden het vriespunt
dalen en er valt wel eens een vlokje sneeuw.
De meeste
orkanen trekken in de maanden augustus tot oktober langs
de Dominicaanse Republiek. Het land is de afgelopen decennia
verschillende keren getroffen door orkanen: David (1979),
Gilbert (1988), Hugo (1989), Luís (1995), George
(1998: ca. 300 doden, 250.000 daklozen en 1 miljard dollar
schade aan landbouw en infrastructuur) en Lenny (1999).
Landschap
Het landschap van de Dominicaanse Republiek is zeer veelzijdig,
van tropisch regenwoud via alpiene bergstreken tot woestijnachtige
droogtegebieden. Imposante gebergten lopen over het eiland
en verdelen het in klimatologisch verschillende gebieden.
Van noordwest naar zuidoost lopen over de Dominicaanse Republiek
vijf vrijwel parallelle bergruggen: de Cordillera Septentrional,
de Cordillera Central (ook wel genoemd: ‘Dominicaanse
Alpen’), de Cordillera Oriental, de Sierra Neiba en
de Sierra de Bahoruco.
Het belangrijkste bergmassief is de Cordillera Central,
die het land in tweeën splitst, een noordelijk en zuidelijk
deel. Hier liggen ook de hoogste bergen, met de Pico Duarte
als hoogste top met 3175 meter. De Pico Duarte is tevens
de hoogste berg in de Caribische regio. Een ander hoge berg
is de Loma la Rucilla (3045 m). Naar het oosten gaat de
Cordillera Central over in de kustvlakte van Santo Domingo.
Het gebergte sluit in het westen aan op het Massif du Nord
in Haïti.
Ten noorden van de Cordillera Central ligt de Cordillera
Septentrional, een middelgebergte (hoogste top: Loma Quita
Espiela, 943 m), die een natuurlijke scheiding vormt tussen
de noordelijke kuststrook en het achterland.
De Cordillera Oriental ligt in het oosten en is de kleinste
van de drie bergruggen. Het is meer heuvelachtig en vormt
de scheiding tussen de Bahía de Samaná en
de kustvlakte. Het vormt een belangrijk waterreservoir en
is het brongebied voor de grootste rivieren.
In het zuidwesten liggen twee kleinere bergketens: de Sierra
de Bahoruco en de Sierra Neiba. Niet ver hier vandaan licht
het woestijnachtige landschap rond het Lago Enriquillo.
Tussen de Cordillera Central en de Cordillera Septentrional
ligt de zeer vruchtbare Cibao-vallei of Valle del Cibao,
waarvan het zuidoostelijke deel, de Vega Real, het belangrijkste
landbouwgebied van het land is.
De Valle de San Juan ligt aan de zuidkant van de Cordillera
Central en is veel droger dan de Valle del Cibao.
De provincies Independencia en Barahona worden in oost-westelijke
richting doorsneden door een woestijnachtig slenkdal met
zoutmeren, onder andere het befaamde Enriquillomeer, 42
km lang, 12 km breed, 40 meter diep, en daarmee de grootste
binnenzee van het Caribisch gebied. Het meer was oorspronkelijk
een zeearm die het huidige schiereiland Baoruco scheidde
van het vasteland. Het ontstond door aanslibbing van spoelzand
dat de rivieren uit de Sierra de Neiba en de Sierra de Ocoa
meevoerden. Het meer ligt dus ca. 40 meter onder zeeniveau
en is daarmee het laagste punt in het Caribisch gebied.
In het meer liggen enkele eilandjes, waaronder Isla Cabritos.
Hiermee doe zich het merkwaardige feit voor dat zich in
de Dominicaanse Republiek zowel het hoogste (Pico Duarte)
als het laagste punt van het Caribisch gebied bevindt.
De Río Yaque del Norte, de grootste rivier van het
land (ca. 300 km) die gedeeltelijk bevaarbaar is, en de
Río Yuna stromen door de Cibao-vallei. De Río
Artibonité stroomt zuidwestwaarts naar Haïti
door de Valle de San Juan. De Río Yaque del Sur en
de Río Ozama stromen richting zuiden en zorgen voor
de afwatering in de Valle de San Juan.
In de Cueva de la Pequera (‘vissersgrot’) ontspringt
de kortste rivier ter wereld. Al na een paar meter mondt
dit riviertje uit in de zee. De grot ligt in het nationale
park Los Haïtises.
De Dominicaanse Republiek heeft de meeste en mooiste stranden
van het Caribisch gebied, zowel langs de Atlantische Oceaan
als de Caribische Zee. Er zijn kilometerslange stranden
maar ook kleine, door groen en rotsen omringde strandjes.
Sommige schitterend gelegen stranden worden nog nauwelijks
bezocht door toeristen. Volgens de Dominicaners zelf telt
de republiek 43.330 stranden en strandjes.
Ook
de eilandjes voor de kust hebben vaak prachtige stranden.
Enkele van die eilanden zijn La Matica, Isla Beata, Isla
Catalina, Isla Saona, Cayo Levantado, een eiland in de Baai
van Samaná in het noordoosten, en de cayos Siete
Hermanos, een groep van zeven kleinere eilanden.
Isla Catalina, een koraaleiland voor de kust bij La Romana,
is tot beschermd gebied verklaard en onderdeel van het Parque
Nacional del Este. Om een groot deel van het eiland loopt
een rif. Ook Isla Saona (117 km2 en ca. 1000 bewoners) behoort
tot het bovengenoemde nationale park.
Bevolking
e totale bevolking bedroeg in juli 2003 8.716.000 personen.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt ca. 180 mensen
per km2 en de Dominicaanse Republiek behoort daarmee tot
de dichtstbevolkte staten van het Caribisch gebied.
De bevolking is vooral geconcentreerd in en rond de hoofdstad
Santo Domingo en in de Cibao-vallei. In de hoofdstad woont
ca. 36% van de bevolking, en Santo Domingo is daarmee, na
de Cubaanse hoofdstad Havanna, de grootste stad in het Caribisch
gebied.
Er is een grote trek naar de steden; 62% van de bevolking
woont dan ook in de steden. Jaarlijks komen er tussen de
twee en drie miljoen toeristen (ca. 80.000 Nederlanders)
naar de Dominicaanse Republiek. Bijna een kwart van hen
zijn Dominicanen die tijdens vakanties naar hun eigen land
terugkeren.
Veel
met name goed opgeleide Dominicanen emigreren naar de Verenigde
Staten en Venezuela (ca. 20.000 per jaar). Naar schatting
hebben in totaal ca. 1,5 miljoen Dominicanen een bestaan
in het buitenland opgebouwd. Zo zijn er in verschillende
Amerikaanse steden hele Dominicaanse buurten ontstaan. In
New York wonen ca. 800.000 Dominicanen, waarvan ongeveer
300.000 illegalen.
Aan de andere kant verblijven tienduizenden (sommigen zeggen
1 miljoen!!) Haïtianen als politiek vluchteling of
als 'gastarbeider', de meeste van deze mensen zijn illegaal
of niet-erkend. Ze vormen de onderste klasse in de Dominicaanse
samenleving en worden voortdurend uitgebuit en gediscrimineerd.
De oospronkelijke indiaanse inwoners, de Taíno, waren
al na een halve eeuw kolonisatie uitgeroeid. De term ‘indio’
wordt nu gebruikt om de kleurling mee aan te duiden. Een
lichtgekleurde mulat wordt ‘indio claro’ genoemd,
een donkere mulat ‘indio oscuro’.
De bevolking
bestaat ongeveer voor 73% uit kleurlingen of ‘mulatto’s’,
voor 16% uit blanken en voor 11% uit zwarten. De mulatto’s
hebben gemengde voorouders uit Spanje en Afrika. De Dominicaanse
Republiek is in het Caribisch gebied een van de weinige
landen waar de bevolking niet overwegend een Afrikaanse
oorsprong heeft. De reden hiervoor is dat het land als plantagekolonie
niet zo belangrijk was, zodat er veel minder slaven uit
Afrika nodig waren als in andere landen.
In de loop der eeuwen hebben zich verschillende andere groepen
in de Dominicaanse Republiek gevestigd.
Vanuit de Verenigde Staten arriveerde in de jaren twintig
van de 19e eeuw een grote groep Afro-Amerikanen, die de
slavernij en onderdrukking in eigen land ontvluchtten en
zich voornamelijk vestigden op het schiereiland Samaná.
Cubanen kwamen eveneens in de 19e eeuw naar de Republiek,
maar ook na de revolutie van 1959.
Andere groepen zijn Duitsers, Chinezen (‘Chinos’),
Japanners, Fransen, Libanezen (‘Turcos’), Italianen
en seizoenarbeiders van de Britse eilanden in de buurt (‘cocolos’).
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwamen er, op initiatief
van president Trujillo, een groep Duitse en Oostenrijkse
joden naar de Dominicaanse Republiek. Ze gaven onder andere
een impuls aan de veeteelt en de zuivelindustrie aan de
Amberkust.
De jaarlijkse
bevolkingstoename bedraagt ca. 1,6% (2003 1,36%). Meer dan
de helft van de bevolking is jonger dan 20 jaar. De levensverwachting
bij geboorte bedraagt 66,5 jaar voor mannen en 69,5 jaar
voor vrouwen.
Het geboortecijfer bedroeg in 2003 23,94 per 1000 inwoners;
het sterftecijfer bedroeg 6,88 per 1000 inwoners.
Taal
De officiële taal is het Spaans; vooral in het grensgebied
met Haïti wordt een Haïtiaans-creools gesproken.
Immigranten spreken onderling nog veel hun oorspronkelijke
taal. Iedere regio heeft, mede onder invloed van de vele
immigrantengroepen, haar eigen dialect en uitdrukkingen.
Het Dominicaanse Spaans is wat zachter en heeft een andere
melodie dan het Europese Spaans.
Van de oorspronkelijke taal van de indianen zijn nog maar
enkele woorden over. Sommige van deze woorden vinden we
nog terug in westerse talen:
Barbacoa – barbecue
Canon – kano
Huracán – orkaan
Iguana – leguaan
Maíz – maïs
Tabasco – tabak
Andere
woorden van indiaanse oorsprong zijn:
Ají – peper
Hamaca – hangmat
Lambí – vlees
Tiburón – haai
Yagua – palm
De oospronkelijke
inwoners, de Taínos, noemden het oostelijke deel
van Hispaniola 'Quisqueya', een naam die de Dominicanen
zelf nog vaak gebruiken.
Onderwijs
In een land waar de sociale tegenstellingen nog steeds zeer
groot zijn, treft men altijd kinderen op straat aan omdat
er te weinig leerkrachten en leermiddelen zijn. Met name
in de stedelijke ‘zonas populares’ en op het
platteland schort het nog flink aan het onderwijs.
Wettelijk zijn ouders verplicht om hun kinderen naar school
te sturen, zes jaar basisschool en vier jaar voortgezet
onderwijs. In de praktijk wordt deze wet slecht nageleefd;
ongeveer 20% van de bevolking is dan ook analfabeet. Een
kleine groep rijke Dominicanen kan het zich veroorloven
hun kinderen naar privé-scholen te sturen.
Toch is het schoolsysteem de laatste jaren verbeterd. Veel
middelbare scholen hebben inmiddels computers met toegang
tot het internet.
Veel
buitenlanders komen naar de Dominicaanse Republiek om een
studie te volgen aan een van de universiteiten of andere
opleidingsinstituten. Men kan er Spaanse taal- en letterkunde
volgen of een cursus salsa en merengue of een theatercursus.
Voor het hoger onderwijs zijn er veel technische hogescholen
en universiteiten. De oudste universiteit, de Universidad
Autonómica de Santo Domingo, ontstond in 1538 uit
de eerste universiteit van Amerika: de Universidad Santo
Tomás de Aquino.
Altos
de Chavón ligt op een rotsplateau en is een dorp
in de stijl van een 16e eeuwse koloniale nederzetting. In
het dorp is een dependance gevestigd van de Parson’s
School of Design in New York, een modeopleiding.
Economie
De Dominicaanse Republiek heeft een van de snelst groeiende
economieën ter wereld. Sinds 1992 heeft het land een
economische groei van ruim 5 % per jaar laten zien.Tijdens
deze periode kon de inflatie beperkt worden gehouden. In
2001 is de economische groei duidelijk afgenomen als gevolg
van de recessie in de VS, de hoge olieprijzen en de dalende
prijzen voor haar exportproducten.
De Dominicaanse Republiek is vooral afhankelijk van de export
van agrarische producten, m.n. suiker. Toen in de eerste
helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw de suikerprijs
sterk daalde, voerden achtereenvolgende Dominicaanse regeringen
een beleid om de wankele economische basis te versterken.
In 2001 was het aandeel van de verschillende sectoren in
het bruto nationaal product als volgt: landbouw en visserij
11%, industrie 34%, handel, transport, financiën, communicatie
en overige diensten 55%. De economische groei stagneert
al lange tijd. De financiële crisis van de jaren tachtig
kwam tot uitdrukking in een hoge inflatie (1985 tot 1994:
28,8% per jaar, 2002 5,3%). Toerisme en vrijhandelszones
genereren de meeste inkomsten.
In september 1999 maakte de commissie voor de hervorming
van de overheidsbedrijven bekend dat vier particuliere consortia
voor een periode van dertig jaar het beheer krijgen over
de tien suikerfabrieken van het staatsbedrijf CEA. Het elektriciteitsbedrijf,
de tabaksonderneming en de nationale luchtvaartmaatschappij
stonden eveneens op de nominatie om geprivatiseerd te worden.
Het liberale economische beleid had een positief effect
op de economie: het bbp groeide met 7% (2002 4,2%).
Bijna vier miljoen Dominicanen leven onder het bestaansminimum,
en dat staat voor ondervoeding en niet genoeg geld voor
fatsoenlijke kleren, behuizing en scholing voor de kinderen.
De meeste van deze huishoudens hebben ook geen aansluiting
op elektriciteit en waterleiding. Ook de gezondheidszorg
voor deze mensen is minimaal en de meeste kinderen krijgen
zelfs niet de hard nodige vaccinaties. De werkloosheid is
nog steeds schrikbarend hoog, 14,5% in 2002 zijn de officiële
cijfers. In werkelijkheid liggen die cijfers nog veel hoger.
Eind 2002 waren er nog meer dan 500 ondernemingen actief
in de ca. vijftig ‘Zonas Francas’, belastingvrije
zones in de Dominicaanse Republiek. Bedrijven in deze zones
hebben voor een periode van vijftien jaar vrijstelling van
verschillende belastingen. Deze zones zijn met name opgezet
voor de exportproductie. Ca. de helft van de ondernemingen
is actief op het gebied van textiel- en kledingproductie
voor de Amerikaanse markt. Bijna de helft van de ondernemingen
is van Amerikaanse origine.
Toerisme
In de afgelopen jaren zijn grote investeringen gedaan in
de ontwikkeling van het toerisme. In 1997 bezochten 2,5
miljoen toeristen het land, in 1994 waren dat er nog maar
1,3 miljoen. Door de teruglopende economie en de aanslagen
in de Verenigde Staten liep het aantal toeristen in 2001
en 2002 terug, mar in 2003 kwamen er het eerste halfjaar
al weer 1,4 miljoen toeristen.
De redenen om en vakantie naar de Dominicaanse Republiek
te boeken zijn o.a. de gunstige ligging, het aangename klimaat,
het mooie landschap en natuurlijk de vele ‘bounty-eiland’-stranden.
De meeste toeristen komen uit de Verenigde Staten, Canada,
Frankrijk, Duitsland, Engeland en Spanje. Uit Nederland
kwamen in 2002 ca. 32.500 toeristen. De gemiddelde bezettingsgraad
van de hotelkamers bedroeg in het eerste halfjaar van 2003
73,8%.
De toeristenbranche biedt directe werkgelegenheid aan 44.000
mensen en indirect aan 110.000 mensen
Verkeer
De Dominicaanse Republiek beschikt over een goed en uitgebreid
wegennet van ca. 18.000 km lengte (1986). De verbindingswegen
tussen de grotere steden hebben een totale lengte van zo’n
5.000 kilometer.
De totale lengte van het spoorwegnet bedraagt ca. 1600 km,
waarvan 142 km in handen van de staat zijn. Dit zijn de
lijnen La Vega naar Sánchez en van Guayubin naar
Pepillo, die vooral dienen voor het transport van exportgoederen.
Ruim 1000 km smalspoor is in gebruik op de suikerplantages.
Het
binnenlandse luchtverkeer heeft de beschikking over een
twaalftal kleine vliegvelden; internationale lijnvluchten
maken gebruik van het vliegveld 'Las Americas' bij Santo
Domingo.
De belangrijkste luchthavens voor chartervluchten zijn Puerta
Plata en Punto Canna.
De belangrijkste
haven van de Dominicaanse Republiek is Puerto Rio Haina,
de haven van de hoofdstad Santo Domingo. De containercapaciteit
van deze haven bedraagt nu 14.000 eenheden, en moet verhoogd
worden naar 25.000 eenheden. Jaarlijks komen er in deze
haven ca. 2.700 schepen binnen.
In december 2003 staat de opening van een nieuwe haven gepland
op het Caucedo-schiereiland, speciaal voor containerafhandeling.
|